14 februari 2010

5 minuten heldenmoed

Ah, de overmoed die een jonge mens kan overvallen. Dingen kunnen zo in je gezicht ontploffen, dat alle gevoelens van dapperheid van daarvóór onbereikbaar worden. Dingen lopen mis en het schijnt de bedoeling te zijn je ertegen te harden. De enige oplossing is je hart te sluiten voor de dingen die je mist, want het leven ontglipt aan je controle.
Ik haat het. Ik HAAT het wanneer ik eens te meer moet bekennen iets niet te hebben behaald, een doel niet te hebben verwezenlijkt, en het dan te moeten relativeren, alsof het er nooit toe deed. Dingen te moeten afgeven, en te glimlachen en mijn schouders op te halen, zodat niemand anders er last van heeft. Elke keer je zo'n vreselijke muur sloopt, denk je, "oké, nu ben ik sterker, dit zal me niet meer overkomen", en toch volgt elke keer een nieuwe situatie waarin je je precies hetzelfde voelt, onverminderd en ongecensureerd of zo. Het leven werpt het je telkenmale voor de voeten, en waarom? Natuurlijke selectie, om te zien wie het haalt en wie niet? Of is het gewoon een gepest, omdat een perfect leven te snel zou gaan vervelen?
Ongewild ga je toch altijd denken, "waaraan heb ik dit verdiend?" Het is alleszins eenvoudiger in onze gedachtengang om een oorzaak-gevolgrelatie te traceren tussen wat we fout doen en wat ons overkomt, dan ons over te geven aan een onbeslist lot dat op complete willekeur berust. Hebben we dan niks in de hand? Kunnen we dan niet zorgen dat sommige dingen die ons dierbaar zijn dichtbij ons blijven? Misschien is het de bedoeling dat we plezier ontdekken in de tijdelijkheid van de dingen. Dat we er ons bij neerleggen dat mensen waar we van houden kunnen weggaan op welk moment dan ook, en dat dat precies de tijd die je hebt waardevol maakt. Dat het verdriet dat op je staat te wachten een prijs moet zijn die je blindelings betaalt, gewoon voor de tijd dat je geluk mag kennen.
Of misschien moet je leren om minder blindelings te betalen, om het verdriet ook minder kansrijk te maken. Maar hoe minder blindelings, hoe minder puur het geluk, heb ik gemerkt. Je moet het ene afwegen tegen het andere.
Maar soms is het zo dat je nog gelooft in geluk met een persoon, maar dat die persoon je blindheid heeft vergiftigd, zoals Eva die Adam de verboden vrucht gaf. Je ziet nu. Je bent bang. Je ziet de mogelijkheid om gekwetst te raken, om iets te verliezen, om naakt te zijn voor de ander. Het paradijs is je ontnomen.
Wanneer vergiffenis geen troost meer biedt, waar moet je dan heen? Wanneer je jezelf niet langer kan vergeven, omdat de pijn niet meer overgaat en je jezelf de schuld geeft, waar moet je dan heen? Hoeveel pijn is één persoon waard?
Het is vrij simpel tegen jezelf te zeggen: hier ligt het niet, mijn geluk, ik zoek elders. Ik kan het heel gemakkelijk. Maar ik ben koppig en als ik voel dat het ergens ligt, blijf ik zoeken en peuteren op diezelfde plek. Ook al wil die plek helemaal niet dat ik daar peuter -jezus, WAT kan mij dat schelen. Het is veel moeilijker om ontberingen te doorstaan omdat je overtuigd bent dat één persoon het geluk voor je vasthoudt. Maar hoe lang moet je wachten tot die persoon op dezelfde golflengte zit? Is er een moment waarop je moet opgeven, voor je eigen vel? Is er een moment waarop zelfs God zou zeggen "meid, serieus, denk aan je eigen leven"?
Ik heb het gevoel dat mijn overtuiging iets extreem zeldzaam is. Dat het het soort overtuiging is dat maar enkele keren voorkomt per generatie, en dat het leeuwendeel van de mensen settelt voor tweede of derde keuze. In feite ben ik in heel mijn leven nog nooit zo zeker van iets geweest. Wellicht daarom durf ik het maar heel moeilijk loslaten. Zoals hij dat wel heeft gedaan.
Het feit dat hij dat heeft gedaan, moet eigenlijk al een sterke boodschap zenden. Ik besef het wel, ik weet alleen niet of ik klaar ben om het te aanvaarden. Dat zijn overtuiging het laat afweten, betekent dat iemand anders het voor hem weer zal moeten doen opflakkeren.
Ik mag niet wachten.
Damn, hoe vaak in een mensenleven kom je de situatie tegen waarin je jezelf moet dwingen om op te geven.
Niet wachten.

23:53 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

Het onbespreekbare. De pijn raasde als een vuur door mijn verdorde graslanden. Alles brandde vanbinnen. Ik bekeek alle bezigheden op de luchthaven uit het raam van het vliegtuig naar Frankfurt. Zo werd de stilte misschien terug doenbaar.
Toen we reden naar de luchthaven met je vader leek het even zo. Radio Aalto vulde de stilte wat op met voor mij onverstaanbaar Fins geleuter. Ik dankte je vader in het Engels, zo goed en zo kwaad als dat kon met iemand die geen Engels verstond. In de check-in probeerde ik normaal te doen door kleine vraagjes te stellen over hoe dit en dat werkte.
Maar de stilte in het vliegtuig druilde napalm op mijn verdorde graslanden. Het vuur gierde. Mijn keel schroeide opnieuw dicht met koortsachtige woorden. Ik kon je niet aankijken met mijn schuldogen. Ik wou alles goedmaken, maar wist dat het niet kon. Het vuur schreeuwde in elke vezel van mijn lijf dat alles fout is. Wat heb ik toch gedaan? Ik ben zo stom geweest.
Ik staarde voor mij uit, en het vliegtuig maakte zich klaar voor vertrek. Ik kreeg de woorden door mijn keel.
“I’m so sorry about what happened yesterday.” Je zuchtte geïrriteerd en sprak niet. Ik probeerde opnieuw om een conversatie aan te knopen, om te bespreken wat gebeurd was.
“I just want you to know that whatever you do is up to you, and I respect your decision no matter what. It’s just that I lost myself yesterday in the moment, but I didn’t mean to scare you. I just hope you can find it in you so we can resolve our differences.”
“You should never do that to anyone, you know. You scared me. If you are like that in my home, what would it be if we were at your house? I think it’s best if I stay somewhere else in Brussels.”
“But I want to show you my home. That was one of the things I was looking forward to so much. I’m sorry.” Ik voelde mijn keel terug dichtschroeien. Ik herpakte me en zocht begrip voor wat gebeurd was. Ik probeerde uit te leggen waarom ik mij zo voelde.
“It was just everything together, the moment, the rejection, what I should have known earlier. I felt stupid for not getting that you didn’t see me in that way. I’m sorry. But I know now that we are just friends. Close friends. I don’t want to lose you as a friend.” Je zuchtte weer.
“Let’s just not discuss this in Mannheim, okay?” Ik voelde meteen dat er niets bijgepraat was, of kon worden. Ik kon niets zeggen, dat was te pushy. We moesten vanaf nu rekening houden met de anderen die hiervan niets mochten weten. Er viel weer stilte. De stilte was nu zwart geworden, en druilde, en kleefde aan mijn voeten. Alles brandde verder in de graslanden. Ik zocht troost in de muziek maar nu kon zelfs de muziek mij niet helpen. Ik staarde voor mij uit en wist niets te zeggen. Ik moest en zou branden in stilte. Het waren toch maar enkele woorden die wilden gesproken worden?

Het was de laatste dag voor we naar Duitsland zouden vertrekken met het vliegtuig. Na het ontbijt lieten we de honden uit. We slenterden uren door de koele Finse bossen. Op een bankje aan de kant van de weg rustten we eventjes uit. We praatten over persoonlijke dingen, en ik baande langzaam mijn weg naar wat ik wou en tegelijkertijd niet wou weten. Je vertrouwde mij dingen toe die je nog nooit tegen een ander verteld had, en die je niet eens uit jezelf tegen mij zou durven vertellen.
Toen we dat beroerde blindwordende vrouwtje tegenkwamen en zij haar medische biografie vertelde, was ik zelfs geïrriteerd door die onderbreking van ons gesprek. Misschien was het omdat ik er niets van verstond. We marcheerden verder huiswaarts door de bossen.

Kutojankatu.

En ik zocht mijn weg verder naar wat ik wou en niet wou weten. Na het middagmaal deden we een dutje in je kamer. Jij in je bed in de hoek, ik op de dunne matras op de grond en een van de honden naast mij. We hernamen ons gesprek, en de woorden kwamen weer in mij op. Mijn keel zwol, en eindelijk wist ik wat ik moest weten. Het kwetste, maar ik pakte toch de moed om ook mijn woorden te spreken. Ze maakten het echter alleen maar erger.
“I still have feelings for you,” verklaarde ik tussen al de tranen door.
“No. Oh, no…”

Het verdriet om die woorden en de realiteit was zo overweldigend dat ze mij wouden openscheuren. Al zo lang wou ik ze terug spreken. Ik had ze al eerder gesproken, maar toen was het anders. Is het nu anders dan de vorige keren? Stommerik.
Ik stikte in mijn eigen tranen en verloor de controle. Eén moment verloor ik de controle, en ik was er niet meer. Geen ik meer. Er was enkel voortwoedend verdriet.
Ik scheurde open als de primordiale aardkorst van een oercontinent dat voor het eerst splitste. De aardbeving reet de barst verder open en creëerde een kloof. In de kloof loerden onderaardse krachten naar het daglicht. Zwart klevend spul en gewelddadig vuur. Ze woedden hun weg naar buiten, naar de aardkorst. Ik probeerde de kloof nog te dichten, maar viel zelf in de zwarte afgrond. Ik bleef vallen, was slechts vallen. De zwarte afgrond wou alles in zich hebben en slokte naar lucht, licht, leven.

Lie in wait,
I will lie awake.
Falling
through
a world unknown.

“I hate to see you like this.” You were so close to me. Toch bereikten je woorden mij niet. Je zat naast mij en moest toekijken hoe de afgrond verder openscheurde, hoe ik verdween in de afgrond.
“Maybe I should just leave you alone,” besloot je.

The fields
they are burning,
the smoke
chokes your breath.
Will you stand
or run?

“No, please don’t!” prevelde ik nog. Het was te laat, je had de onherbergzaamheid van de zwarte afgrond al gevoeld en besloot om te vluchten. Ik keek door mijn tranen heen hoe je de klink naar beneden drukte, door het deurgat stapte en uit het bereik van de afgrond sprong toen je de deur achter je dicht deed. Alleen nog maar vallen. Falling unknown.

Na enkele uurtjes sprokkelde ik mijn moed, of wat er nog van overbleef, bijeen. Ik sleepte mij naar de computer waar je zat. Je vroeg welke jeugdherbergen er waren in Brussel. I don’t know, please don’t ask this of me. Tevergeefs probeerde ik nog je te overtuigen onze oorspronkelijke plannen te volgen. Ik maakte mij alleen belachelijk in jouw ogen, en verloor opnieuw de hoop. Met het vallen van de tranen werd ik voor jou zieliger. En terwijl ik met blote handen uit de zwarte afgrond wou klauteren, stapte je steeds verder weg van mij tot je slechts een grijze schim was in de zwarte rook van mijn velden. Je beslissing stond vast. Alleen maar vallen.

Er volgde stilte. Ik durfde nauwelijks iets vragen, en verschoof zelf mijn matras naar de andere kamer. Het is beter zo, ze wilt toch niet van mij weten.
“I’ll move my mattress to the other room, okay?” mompelde ik.
“You can do what you want,” reageerde je. This is what speaking daggers means. Ik wist niet beter dan vroeg te gaan slapen. Ik zou toch enkel branden, en niets anders. Ik besefte volledig dat ik geen oog dicht zou doen. ’s Nachts tastte ik naar mijn mp3-speler en zocht enige troost. Ik dwaalde door de muziekbibliotheek maar vond niets dat mij ook maar een seconde troost of steun bood. Ik leerde huilen. Het was maar zout in mijn graslanden. Er was slechts een ding dat mij een vorm van troost gaf, en mijn verdriet sublimeerde: Fossegrimm.

In Duitsland brandde ik. Ik voelde mij even naamloos als de straten in Mannheim stad die alfabetletters droegen, hoewel het mooie straten waren. Ik voelde mij een omgekeerde acteur in de verdwaalde straten. Ik moest een blij masker opzetten terwijl ik mij zo ellendig voelde. Ik sprak, lachte, grapte en deed mee, maar vanbinnen woedde het vuur in elke vezel van mijn lijf. Alles speelde zich opnieuw af in mijn hoofd. Zou het ooit goed komen? Er kan een einde zijn, aan het vuur of aan mij. We zagen zoveel mooie dingen, verkenden de wereld en deden kennis op, allemaal met dat ellendig gevoel dat in mijn nek stak als een dolk. Ik werd levend verbrand van binnenuit, en vertelde ondertussen onnozele anekdotes. Branden en grappen, branden en grappen voor anderen. Voor de anderen deed jij alsof er niets was. Overdag leefde ik nog wat daarvan, tijdens die zwoele zomerdagen.
Maar elke avond en ochtend dat we in die kamer in Mannheim in bed lagen en routines uitvoerden, wurgde de stilte voor en na de slaap mij. Ik probeerde het nog met fatische communicatie, met elementaire beleefdheid en met kleine vraagjes. Ik faalde en stikte. De Fossegrimm leerde mij te verdrinken op zijn melodie in het meer van vuur. Ik zal baden in het meer, en aanspoelen op de oevers om terug te branden.

Het was hetzelfde op de weg naar Brussel. Opnieuw de stilte. Op de trein van Mannheim naar Köln zaten we tegenover elkaar maar je gunde mij niet eens een blik. Ik probeerde je aan te kijken maar je ontweek mijn ogen. Toen we opstapten op de trein naar Brussel, vroeg ik je nog of het goed was of ik bij jou kwam zitten.
“Is it okay if I sit with you? I know our tickets are showing different seats, but still…”
“You can do what you want to,” antwoordde je ijskoud. Waarom toch net die woorden? Alles buiten die woorden, al was het maar om te zeggen dat je liever niet in mijn buurt zat.

Een klein lichtpunt op de duistere trein was het ironische theater van een typically British mother-and-two-daughters-argument waarvan de moeder een vergeetachtige, tea-sipping mum was, de ene dochter een light-headed comedian en de andere dochter een big grumpy bear. Ze hadden een deel van hun tickets verloren en de spanning nam toe. Ik kon niet aan het tafereel ontkomen en lachte eerst stiekem mee om de knorrigheid van Grumpy Bear, en nam uiteindelijk deel aan het theaterstuk. Grumpy Bear apprecieerde het niet.
“Free bloody sitcom ticket for you, isn’t it?” Ik lachte geamuseerd en knoopte een gesprek aan met de tea-sipping mum. Ik vertelde hen dat ze het eerste lachen van mijn dag vormden. Het was ook het laatste lachen. Eens zij vertrokken waren bevond ik mij terug in mijn smeulende graslanden. Ik was toch verslagen.

De trein sleurde zich traag door bekende zichten. Na lang rondreizen en slepen met bagage, kwam ik aan de deur van mijn huis. Ik moest nog het nieuws verkondigen over de verandering van plannen. Geen details geven. Just say there was a change of plans, nothing else. Avoid answering other questions.
Eens in mijn kamer belde ik je verschillende keren om te zien of je goed aangekomen was. Je nam niet op, geen voicemail. Ik stuurde een sms’je. Geen antwoord, alleen maar stilte. En vuur. I hope you are okay, wherever you are…

Die nacht bracht mij geen rust. Ik schreeuwde in mijn kussen zodat niemand het zou horen. Wakker worden was het ergste aan een dag. Mag ik nog leven? Moet ik nog leven? Ik sloeg spastisch om me heen en werd belegerd door gedachten die ik lang geleden verbannen had uit mijn denkfort. Toch was ik al verslagen, en kon ik de belegering niet lang afhouden. Het denkfort werd ingenomen door de belegeraars. Ik wou ze niet, maar ze waren er toch, die zelfmoordgedachten. Ze zaten op de wallen, stroomden naar binnen en hadden nog een lange weg af te leggen naar de troonzaal.
De nachten die volgden brachten weinig verandering. De stilte bleef druilen, het vuur bleef woeden. I went to sleep with the burning horizon, and rose in fire every day. Are the gods screaming? I found only scorched earth and ashes. Na elke brand werd de pijn doffer. De pijn smaakte naar verbrande aarde, naar assen. Ik sloop rond in de graslanden, gapend naar de hemel en de horizon. Ik keek vaak in de afgrond. Ik at verbrande aarde en assen. En ik leerde verdrinken in de vuurzee op de melodie van de Fossegrimm.

Op een nacht in september, speelde ik alles opnieuw af in mijn hoofd terwijl herfstregengeur de kamer binnendrong. Al de pijn, het vuur, het branden, de zwarte afgrond, de stilte die druilt… It was the snakes! It was all vile snakes, my words. I unleashed them, but it was we who were poisoned by them, strangled by them, they hissed at us. They were the venom of silence. It was the rush of the snakes!

Rush of the snakes.

The gray clay had fallen from the sky.
It sealed the room.

The snakes burst from my mouth.
As they kept pouring from my head-holes,
we stood knee-deep in the lagoon.
They fed on the brine at our feet.

Some slithered up your legs and belly,
sinking their fangs in your chest’s skin,
soaking your breast with their venom.

The constrictor slinked its way over your spine,
slung around your throat to garrote you,
tightening its grip until your words
were only pouches of air in your lungs.

The vipers penetrated your eardrums,
and infiltrated your skull.
They beleaguered your mind.

That vipers’ nest brooded there,
and grew and slithered,
slithered and swelled,
and swelled to one clew of snakes
where you did not distinguish
new-borns from old-growns.

You hosted them well,
conniving at their presence.

But the serpent of the sea shot in my throat,
and abducted me to her vile ocean.
I sunk in it, and lied with saline dregs.

I still bear the serpent of the sea in my throat now.
She hisses at you, and at me,
and frightens us,
as I till the soil of her sea.

Na enkele weken verbrande aarde en assen op de rand van mijn bed, nam ik eindelijk de pen in de hand om je een brief te schrijven. Het was het enige wat mij nog restte. De brief kostte mij twee weken, en de zeven pagina’s staken vol verbrande aarde. De laatste woorden waren ‘Still your friend’. Ik stak er ook een klein mp3-spelertje bij met enkele liedjes waarvan ik vond dat ze spraken voor zich, gezien wat er gebeurd was. Het waren liedjes die nieuwe betekenis hadden gekregen, ze hadden nieuwe kracht verworven.
Geen antwoord. De stilte bleef druilen, en de pijn was nu een wazig, dof besef van verlies. Overal waar zout lag op mijn verschroeide graslanden, hoopte ik dat iets zou groeien. Zou de brief nooit aangekomen zijn? Ik hoop dat ze die al ontvangen heeft.

Het werd oktober en je verjaardag naderde, ik wist precies wat ik zou kunnen sturen. Ik wist alleen niet of ik het zou sturen. Ik deed het, en zou het doen alsof er nooit iets gebeurd was. I am still your friend.
Ik stak er rijpe tamme kastanjes in, want in Finland waren die er niet. Pas op voor de bolsters! Je had de wilde kastanjes in dat park aan Schwetzinger Schloss in Duitsland ook nog nooit gezien. Het was het enige moment dat je mij aanraakte. Je zat op mijn schouders zodat we een kastanje konden plukken. Ze waren nog groen op dat moment.
Ik stak er ook een cd in met die Macgyver film in. Ik had de andere naar Finland gebracht als cadeau, en nu gaf ik je deze ook hoewel hij niet zo leuk was als de eerste. Maar ik wist dat je er van hield. Ik stak ook die twee films van The Librarian erbij, ze waren een tv-film versie van Indiana Jones. Indy die je zo onweerstaanbaar vond.
En natuurlijk was er ook de Belgische chocolade van Callebaut bij. Je was er gek van, het mocht zeker niet ontbreken.
Verder stak ik er nog die nota in, waarin ik het niet had over wat gebeurd was, maar je enkel een gelukkige verjaardag toewenste. De nota eindigde met Still your friend, zoals de brief.
Ik propte het allemaal in een klein postdoosje en hoopte dat het aankwam op de gewenste bestemming.
Geen antwoord. De stilte bleef druilen. Ondertussen cultiveerde ik het zout in mijn verbrande aarde. Hier en daar groeide wat, maar het bleef klein. Op een uitzondering na, Rush of the Snakes, die groeide en bleef maar groeien. Ik was er trots op, maar de stilte druilde verder en bedwelmde de groei van alles.

Vier november. Ik opende mijn Hotmail en zag Inbox (1). Een nieuwe mail. Ik opende de folder en zag je naam in het vetgedrukt bovenaan de lijst. Mijn hart sloeg tilt als een klein kind op een nieuwe trampoline. Mijn ogen verhuisden van je Finse naam naar de Nederlandse titel. Het spijt me, stond er in het vetgedrukt. Het spijt mij van iemand die geen Nederlands kon, alleen maar Fins, Zweeds of Engels. Een Google Translator ‘Het spijt mij’. Ik zou ze nooit vergeten. Ik wist nu dat alles goed zou komen. Ik hoefde de mail niet te lezen, want ik wist dat het goed zou komen. Dat werd opnieuw bevestigd door het slot van de mail dat je ondertekende met Still your friend. Samen braken we de stilte.

Gepost door: Senna | 16 februari 2010

! Ik weet niet goed wat te reply'en, maar ben dolgelukkig met dat einde :)

Gepost door: LaPetiteClemence | 16 februari 2010

De commentaren zijn gesloten.