25 januari 2011

Ich möchte ein Eisbär sein.

Daarnet stuurde ik dat hij mijn spullen mag weggooien. Ik kreeg antwoord dat het ging om CD's, een tafeltje en een parasol. CD's mag hij hebben, de rest mag het stort in. "Ok bedankt", zei hij. Hopelijk is het nu voorbij en begrijpt hij de hint dat ik hem echt nooit meer wil terug zien.
Ik herinner me zijn geur nog. En zelfs de smaak van zijn kus. Belachelijk eigenlijk. Maar misschien is dat normaal als je zo lang bent samen geweest. Ik herinner me vooral ook hoe hij op ne neerkeek, hoe hij kritiek had op mijn leven en hoezeer hij met zichzelf in de knoop lag, waardoor zijn spanning op mij werd afgeschoven -ik ben een spons. Die jongen in mijn klas is eigenlijk net zo. Godzijdank misschien, dat hij niet voor me viel. Stel je voor dat ik nog eens in datzelfde straatje zonder eind was verzeild geraakt.
Maar het blijft steken.
Héél stiekem.
Mijn klasgenoot is slimmer en leert sneller dan mijn ex-vriend, denk ik. Maar hij lijdt onder hetzelfde mijn-dromen-en-intenties-over-wie-ik-wil-zijn-bepalen-wie-ik-ben-en-niet-mijn-daden-syndroom. Het is alsof hij niet inziet dat zijn gedrag hem doet overkomen als een klootzak, en dat zijn innerlijk dat niet goedmaakt als het niet ten volle naar buiten komt. Hij wordt geconsumeerd door paniekgedachten over de toekomst maar vergeet te genieten van het nu. Hij doet daarmee zijn omgeving tekort. Hij is jaloers, en bang dat mensen in de toekomst zullen weggaan, maar vandaag van hun gezelschap genieten doet hij evenmin. Hij wil krijgen, altijd maar krijgen, aandacht, een luisterend oor, gezelschap, affectie, maar uiteindelijk vergeet hij het leuk te vinden en blijft het achter bij het huisvuil.
Hij is eigenlijk zo blind als een onthoofde kalkoen, maar kakelen kan hij nog.
Misschien is hij verwend. Zoals mijn ex-vriend. Niet op materieel vlak, maar op aandachtsvlak. Door charisma en goeie looks is hij misschien altijd iedereens lievelingetje geweest en heeft hij nooit geleerd zijn handelende persoonlijkheid op andermans gevoelens af te moeten stemmen. "Ik geraak met alles weg", zei hij zelf eens. Nou, deze keer niet.
Wat spijtig eigenlijk. Zo'n potentieel, en het toch nog weten te verneuken. Moesten hun beider grootvaders nog in leven zijn, zou ik een veelbetekenende blik met hen kunnen uitwisselen. Of zou ik bij hen kunnen uithuilen. Waarom zijn jullie kleinzonen zo het noorden kwijt geraakt nadat jullie er niet meer waren om hun gids te zijn? Waarom hebben jullie niet vaker tegen hen gezegd dat ze rechtschapen moeten zijn, en rekening moeten houden met de gevoelens van anderen? Waarom hebben jullie hen niet verteld dat je je eigen problemen nooit ten koste van anderen mag oplossen? Waarom hebben jullie hen niet verteld dat de vergiffenis van anderen geen garantie is voor juist gedrag, en dat je soms nog steeds in eigen boezem moet kijken, als een man?
Ik ben echt zo boos op mezelf dat ik hem die slechte kanten heb vergeven, of hen door de vingers heb gezien in het begin. Dat mag ik niet meer doen. Opkomen voor mezelf is mijn allerzwakste schakel. Die al een stuk steviger is dan vroeger, maar nog niet genoeg. Mannen zijn zo'n BABY'S. Echt kleine, clueless bengels die geen voeling hebben met de wereld rondom zich, want dat heeft mama altijd voor hen gedaan. Verdomme.






17:09 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.