04 juli 2010

Let me love you 'till you get it right.

Diep ontroerd en stil van de onbeschrijflijke gevoelsband tussen m'n hond en ik. Hij lag domweg in zijn mand, ik kwam thuis van disproportioneel feesten en weet uit ervaring dat hij pas opstaat als ik de deur van de keuken open. Het eerste wat ik dus deed toen ik de klink vastnam, was zeggen "jongen, blijf". Niet opstaan jongen, niet kwispelen, geen stoelen verschuiven met je staart, blijven liggen, ik kom wel tot bij je. Mama en papa slapen boven nog lieverd, geen geluid maken, je ziet dat ik voorzichtiger ben dan anders. Honden krijgen geen vochtige ogen, maar kunnen wel een blik werpen van de oprechtste, diepste, dankbaarste liefde. Die blik beroert me, streelt me in het allerdiepste van mijn hart. Geen mens heeft me in m'n leven zo'n blik gegeven.


Kijk me in de ogen lieverd, want jij ziet mij. Jij kunt ergens kijken in mijn ziel waar bijna niemand kan kijken. Zie je dat? Dat trieste deze morgen? Ach, jongen, ik zag hem en de angst verlamde me. Ik wou krimpen tot een kleine, donzige essentie van mezelf en me nestelen in zijn handpalm. Maar ik durfde hem niet vragen om zijn hand te openen. Ik durfde complimenten, glimlachen, gebaren niet interpreteren. Ik ben bang, als hij naar me kijkt en mijn hartslag versnelt, bang dat hij het ziet, dat hij het weet, en dat het hem stoort. Ik probeer m'n gedrag zodanig te controleren opdat het niet zou opvallen, dat ik vrees dat het net flagrant is. Misschien zelfs voor anderen. Brave hond van me, dat zijn momenten waarop ik me belachelijk voel tussen mijn eigen vrienden. Goddomme, denk ik dan, tuttemie, doe eens volwassen. Blijf nuchter, realistisch, hij is ook maar een mens. Maar hij is een mens die me beweegt, vanbinnen, en dat gebeurt zo weinig. Lieverd, dat gebéurt zo weinig! Je doorleeft nu al tien prachtige jaren mijn leiding, je kent me beter dan m'n beste vriend. Je weet hoeveel deuren achter mijn hazelnootbruine ogen ik heb, en ook hoe ik ze nauwelijks allemaal open laat met vrije inkijk in mijn ziel. Maar waarom heb ik het gevoel, als hij me aankijkt, dat al die deuren wagenwijd open staan? Dat ik weerloos in de kou sta en dat hij in mijn ogen ziet wat er in mijn binnenste gebeurt? M'n trouwe, dappere jongen, het gaat over luttele seconden. Seconden die eeuwen lijken te duren. Hij ziet me! Hij ziet me! Ik kijk snel weg en hoop dat in die korte tijd niet al te veel is opgevallen. Wat ziet hij er moe uit. Moe en triest. Maar wat is hij moedig en eerlijk tegen zichzelf. Hij lacht, hij biedt gezelschap, brengt humor, hij danst. Zien anderen welke last op zijn brede maar vermoeide schouders rusten? Ben ik de enige die zich uit alle macht aan zijn zijde wil zetten en die last stutten met alle mogelijke middelen? Hij is zo'n prachtig mens, jongen, je zou hem leuk vinden, hij kan spelen als een kind. Maar hij piekert, het ontbreekt hem aan instrumenten om sommige dingen op te lossen. Laat me toch, laat me! Laat me je grote hand vastnemen en je met piepkleine stomme dingetjes vooruit helpen. Nee, ik ben geen wondermiddel, verre van, hij is ook veel te verstandig om zoiets van een vrouw te verwachten. Maar ik wil hem de ruimte geven om te zijn wie hij is, door en door mens, ik wil hem stimuleren om doelen achterna te gaan, hem met de beste raad die ik met m'n hoofdje kan bedenken bijstaan.
Jij weet wat ik waard ben, m'n schat, jij weet dat Clémence aan je zijde een enorm verschil kan maken. Ik ben maar één vrouw maar er huist in mij een ongelooflijke kracht die ik slechts aan anderen kan doorgeven. Nooit, nooit zou ik hem remmen in wat hij wil doen, want hij is intelligent en ik zou zijn inschattingsvermogen vertrouwen. En misschien zachtaardig, liefdevol in vraag stellen als het kind teveel naar boven zou lijken te komen.
Het respect dat ik voor deze man ervaar is er één van een zeldzaam kaliber. Zijn woorden, zijn daden zijn die van een gevoelige mens met moed en een enorme tederheid. Ik zie hem wel, achter zijn forse uiterlijk, en dat is voldoende. Ik wil hem geruststellen, dat hij niet hoeft bloot te stellen wat hij niet kan, dat ik het weet. Ik wil hem heel dicht tegen me aan houden, al zijn mijn armen veel te klein, en hem zeggen dat zijn stoere uiterlijke façade niet naar beneden hoeft. Ik wil hem zacht in zijn oor fluisteren dat hij niks hoeft te zeggen, dat ik het allemaal voel. Ik voel wie hij is, en dat kan toch niet in woorden. Als hij naar me glimlacht, bewonder en benijd ik de ongekunsteldheid waarmee hij zijn ziel aan me laat zien. "Ik lach naar je, Clémence", staat in zijn ogen, "lach terug, of niet, uit m'n lood val ik toch niet, maar ik lach naar je".
En toch, lieverd, en toch, wanneer ik hem zie, kijk ik weg, praat ik met anderen, oh wat haat ik mezelf op die momenten. Maar ik durf niet! Ik word zo verlegen! Als hij de kamer binnenstapt wil ik hem om de hals vliegen maar in plaats daarvan kijk ik naar de grond of doe ik alsof ik met iemand in gesprek ben en niet gemerkt heb dat hij er is. Puberniveau. Ik schaam me rot maar het is sterker dan mezelf. Ik ben veel en veel te veel waard om voor het rapen te liggen.
Kom me halen, wil ik hem zeggen, maar ik weet niet hoe en ik ben bang dat hij het niet wil. Voor hem zijn al die gebaren naar mij toe misschien vriendschappelijk bedoeld en voelt hij wel dat hij me iets doet, maar gaat hij er gewoon enorm volwassen mee om.
Ik ben moe jongen, ik ben doodop, en emotioneel. Toen hij vertrok vond ik het zo erg dat ik niet eens wist hoe ik afscheid moest nemen. Had ik het geprobeerd was het gruwelijk duidelijk geweest hoe vals de luchtigheid was, en ik had weinig bedenktijd, en uiteindelijk was de deur al toe toen ik dacht "hee! je krijgt nog een wangkus van me! en een streel over je rug! en een blik van begrip! warmte! mijn karakter is zo warm, neem nog een stukje mee!".
Het is belachelijk, m'n beste hond, het is echt belachelijk. Maar kwijt zal ik hem wellicht nooit zijn onder deze omstandigheden en de tijd wijst me dan m'n plaats wel aan. Iets met vissen en zeeën. Maar ik zal altijd zeer diep onder de indruk van hem blijven. Slaapwel, tot straks, we wandelen wel nog wat, goed? Daag!

En heel dat, wordt op vijf minuten tijd doorgegeven van mijn ziel naar die van mijn hond, terwijl ik hem met alle tederheid die mijn handen bezitten over zijn hoofd aai en bedenk dat ik toch elke keer vergeet hoe mooi hij is.

10:49 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

15 juni 2010

Un petit coin de parapluie pour un coin de paradis.

Op sommige momenten denk ik "pf, alleen zijn is nog altijd wel het meest luxueuze leven", en op andere kan heel dat gevoel kelderen in een gewentel in triestheid. Wat gebeurt er met me. Alles scheurt en trekt. Mijn hoofd wil dit en mijn hart wil dat en mijn lichaam wil NOG iets anders. En één man verenigt de drie, maar net hem kan ik niet dichterbij verdragen want, jaa, angst. Ik ben zo geen noodlotmens, we zijn met belachelijk veel en er zijn wel meer mensen die me gelukkig kunnen maken -maar niet véél. Als ik nu nog te angstig ben en hij is weg tegen dat ik het overwonnen heb, dan is dat maar zo, bedoel ik.
Ook al steekt mijn hart elke keer ik met m'n vriendinnen uit ben en hij me weer zo schrijnend oprecht begroet. De ervaring leert me dat ik gevoelens van verbondenheid kan hebben die blijken niet te bestaan aan de andere kant, en van verbondenheid is dan technisch gezien geen sprake hé. De droefheid in mijn hart komt voort uit een mengelmoes van naïviteit en oprechtheid. Ik ga oprecht en blindelings geven om mensen die het niet verdienen of waaraan ik de energie niet zou moeten wijden.
Maar hoe leer je om anders te zijn dan je eigen natuur? Naar buiten toe kan ik moeiteloos mijn hart sluiten, en geen ziel zal ooit weten wat er echt in speelt, maar daarmee ga ik nog steeds naar huis met lood in m'n schoenen en tranen in mijn ogen. Het is me nooit overkomen, moet ik zeggen. Iemand zomaar, toevallig leren kennen, elk weekend zien en voelen dat er iets groeit dat volledig wederzijds is, en op dezelfde golflengte zitten, en meer en meer aan elkaar toevertrouwen tot men zich aan elkaar bloot geeft. Ik heb dringend een grondig gesprek nodig met mijn hartsvriendin, ik voel het.
Is dat niet mogelijk of zo dan, door mijn gesloten en contradictorische persoonlijkheid? Stoot ik mensen zo af, doe ik zoveel dingen fout, is er zo'n gruwelijk aspect aan me? Jezus, hoor me bezig. Hoor me twijfelen! Dit is precies waarom liefde me niet interesseert. Het maakt me angstig, het neemt me mijn stabiliteit af. Ik kan het niet met mate en dat is erg destructief. Wanneer ik verliefd ben, echt verliefd, ga ik kapot. Het schijnt mijn trieste lot te zijn. Het gevoel niet te bestaan zonder de verbondenheid met die persoon consumeert me en verbrandt me. Nu ben ik nog bijlange niet in dat stadium, gelukkig, het is geleden van mijn negentiende dat ik me nog zo gevoeld heb.
Ik ben gelukkig alleen, maar wanneer ik verliefd word lijkt het alsof dat alles van geen tel meer is, alsof mijn leven nooit enige betekenis had. Het beminnen van de ander slorpt me op, ik verdwijn en los op in dat verslavende gevoel van euforie, bewondering en genegenheid. Liefde is een beetje zelfmoord plegen. Hoe komt het dat sommige mannen dit in me losweken? En hoe komt het dat mannen die veel gezonder voor me zijn, dit gevoel in de verste verte niet benaderen?
Elke keer ik zo gekwetst werd door mijn ex-vriend, dacht ik "NOOIT MEER". Ik hoor het mezelf nog zeggen, nooit nooit nooit nog laat ik me zo meeslepen en blind maken. Volgende keer zal ik veel beter controleren wat ik voel en zal ik veel meer autonomie bewaren. Maar dan staat die ene man daar met zijn Stella en betrap ik mezelf erop te denken dat ik hem waarschijnlijk zou volgen naar de meest godverlaten hut ergens in putje Zwart-Afrika, te voet. En ik zou waarschijnlijk zijn bagage voor hem dragen moest hij het me vragen.
De schrale troost in dit hele verhaal is dat ik dacht dat mijn hart gestorven was, en dat er blijkbaar nog bloed door stroomt. Which is nice.

Dit kan nooit wederzijds zijn, omdat het steunt op idealisering. Moest hij me plots zeggen dat hij me graag ziet, zou ik niet weten wat te zeggen. Ik zou onmiddellijk naar zijn gebrek op zoek gaan, want je moet wel een gebrek hebben om verliefd te worden op Clémence. En ik zou het nog vinden ook.
Ik vind het altijd.
Ergens achterin m'n hoofd is er altijd nog de onoverwinnelijke overtuiging dat "hij geen idee heeft wie ik ben". Dat niemand het weet. En dat hij wel kan denken dat hij me graag ziet maar eigenlijk niet weet wat er in me schuilt. Hoe plant je al je gevoelens, gedachten en geloofjes in iemand anders zijn hoofd? Hoe geef je jezelf bloot en wanneer weet je zeker dat je het op de juiste manier doet?
Hoe bekom je het, dat iemand van je houdt, dat iemand wat je bent zo bewondert dat hij het gaat beminnen? Hoe bekom je het dat iemand je droefheid en je angsten ziet en je wil beschermen? Of is het zinloos daarop te wachten. Misschien is het echt zo dat je altijd alleen staat. Alleen met je vrienden dan toch.

00:02 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

18 mei 2010

But love is not a victory march

Kijk. Wat moet je doen op momenten als dit?
Voor ik doorga moet ik eerst even voor de zekerheid dit zeggen: mensen die me kennen en dit lezen, moeten niet ongerust zijn of denken dat ik op de rand zit. Maar soms gebeuren er dingen waardoor je een stevige zet in die richting krijgt. Dat duurt maar even. Ik heb diep genoeg gezeten om te weten dat het altijd overgaat -al duurt het soms tergend lang.
Maar wat moet je doen? Wat moet je ondernemen wanneer de "goesting" van je wegebt? Ik ben ingehaald door mezelf, op de meest gemene en pijnlijke manier. Straks ga ik slapen met als enige gezelschap de stille wens dat er CO² vrijkomt en ik nooit meer wakker word. Of dat het gebouw instort, of dat mijn hart stil staat, of iets, waardoor ik niemand kwets, en waardoor niemand ooit zou weten dat mijn laatste zucht "eindelijk" was. Dat ik verlost word zonder dat ik zelf die afschuwelijke daad moet stellen. Want de hoop in mij kan nooit genoeg uitdoven opdat ik mezelf het toekomstige geluk afneem. En ik zou nooit mijn geliefden durven achterlaten met het gevoel dat ze niet goed genoeg zijn geweest. Want dat zijn ze wel, en ik wil hen zo lang mogelijk bij me. Of ik bij hen.
Alleen jammer dat ik er zo'n pijn voor moet lijden, en dat ik het hen niet kan zeggen. Want dat is ook maar belachelijk hé. "Zeg, jij bent mijn beste vriend, weet je dat ik elke dag verdriet voel en dat allemaal doorsta omdat ik je graag zie? HE?" Pfrt. Wie weet wat mensen om me heen doorstaan. Wie weet hoezeer dit gevoel herkenbaar zou zijn voor sommigen.
Het is Facebook, en Facebook is maar virtueel. Maar mijn ex-bijna-man zit in Zuid-Afrika en heeft me uit zijn vriendenlijst gewist. Dus voel ik me gewist uit zijn geheugen, uit zijn gedachten, ik word buitengesloten en 'uitgeveegd'. De vijf jaren dat ik als enige geloofd heb in die verschrikkelijke relatie, zijn er nooit geweest. En eigenlijk is dat één van de meest relativeerbare dingen. Maar mensen die verdwijnen, uit elkaar gaan, ruziemaken en vertrekken, dat kan ik niet relativeren -dat is mijn zwakste punt. En ik dacht eigenlijk dat ik dat allemaal verwerkt had. Maar ik heb gevlucht, sinds september. Ik heb het varken uitgehangen op café, maar echt gevoeld heb ik niet. En dat merk ik natuurlijk pas als ik weer voel, zijnde nu, dus.
AARGH ik barst uit m'n vel. Gaat dit óóit ophouden? Dat verdriet, om niks, om alles, ik weet niet waar het vandaan komt, die ontevredenheid met wat ik verdomme allemaal wel niet héb, die schaamte om toch nog te durven emmeren over tekort, die eenzaamheid en dat zelf aangedane isolement? Heeft iedereen dit? Is dit normaal op je 23ste? Is er een oplossing voor?
Ik herinner me toen ik als dertienjarige snotter in het zeteltje zat bij een jeugdpsycholoog. Kerngezond en helder was ik, een geestesziekte was het niet. Maar ik absorbeer verdriet, spanning en triestheid om me heen, zei hij. Ik besefte te snel dat mensen weggaan, verdwijnen, wegebben. Dat vriendschappen doodbloeden, dat relaties stukgaan, dat niemand in je leven bij jou blijft, voor jou, omdat jij bent wie je bent. Dat niemand ervoor kiest om te moeten zorgen voor iemand. Ik wil bewonderd worden om wat ik ben en precies om die reden voorzichtig behandeld en gekoesterd worden. Maar iedereen wil bewonderd en gekoesterd worden, en er is geen reden voor mij om het meer te verdienen dan een ander. Zo is de wereld niet. En zelf zie ik zeker ook soms niet in hoe gevoelig anderen zijn, en zelf vertrappel ik wellicht ook mensen die denken wat ik nu denk, maar zelden intentioneel. Nooit eigenlijk.
Maar waarom voel ik me altijd zo naïef en gebruikt? Waarom blijf ik altijd achter met het gevoel meer gegeven te hebben dan gekregen? Slechts één vriendin vertrouw ik nog, aan haar kan ik alles zeggen. Ik doe het niet, want dat kan ik niet, maar de wetenschap is voor mij genoeg. Ligt het aan mijn vriendenkring of aan de wereld, ik zou het niet kunnen zeggen. In het café waar ik elk weekend zit, zou ik al niet durven vertellen over mijn lessen of zo. Eigenlijk durf ik er sowieso niet veel vertellen. Met enkelingen kan ik erg goed praten, maar in de groep heb ik niet echt een plaats. Waarschijnlijk is dat één van de redenen waarom ik er kom. Hier kan het niet echt iemand iets schelen hoezeer ik me lam zuip, hoezeer ik me begaai. Dus we begaaien ons jolig allen tesamen en 's morgens gaan we naar huis. Tot volgende week, misschien wel, misschien ook niet. Een connectie of verbondenheid bestaat niet echt, ik ben ook nog erg jong en zij hebben al lang hun huisje-boompje-tuintje op orde. Geen nood meer aan uw diensten juffrouw, sorry. Mijn hart is al vol.
Misschien moest ik maar eens op zoek naar een stalletje in Bethlehem zeg.
Ooit zei een vriend terloops dat ik goed moest studeren, en mijn kansen nemen, omdat het werkleven zonder diploma misschien ook maar snel zou tegenvallen. Toen ik goed en wel thuis was en besefte wat er gebeurde, was ik bijna met tranen in de ogen in mijn cursussen aan het bladeren. Waaw! Iemand geloofde in me en steunde me en zo! Belachelijk hé, maar ik was zo gelukkig als een kind. En ultragemotiveerd. Mijn ouders zeggen eigenlijk alleen maar iets als ik in hun ogen te weinig doe. En zelfs dat is de laatste jaren enorm afgenomen omdat ik er zo ontzettend kwaad (lees: verdrietig, maar dat hebben zij niet door) van werd.
Bah, ik ga met mijn stille (maar iets verminderde) wens m'n bed in kruipen, en als morgen de zon schijnt zal het al stukken beter gaan.

Slaapzacht.

02:38 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

23 maart 2010

A secret place.

Amai wat een episch nutteloze dag. Het lijkt wel zondag of zo.
De vermoeidheid is weer op me neergestreken. Slaap zal niet komen. Het is lang geleden dat mijn gevoelens nog hebben kunnen rusten. Er komt altijd veel te veel op af, jezusmina. De weekends zijn veel te intens, geloof ik. Eigenlijk ben ik niet gemaakt om veel verschillende mensen te zien, maar tegelijk mis ik het gezelschap heel snel. Vatje vol tegenstrijdigheden. En blijven lachen, met alles, vernietig elk vermoeden dat je angstig bent. Of ongerust, of triest, of een mengeling van die dingen. Zo rond 5 u voel ik het me aanvallen van binnenuit, wanneer iedereen vertrokken is maar fysiek nog aanwezig is. De ware aarden kruipen naar buiten, want de prille ochtend werpt er licht op. Ze zijn moe, en ze zijn knorrig. En mijn muren vallen naar beneden, net wanneer niemand nog kijkt of interesse heeft.
Gelukkig, eigenlijk. Want het voelt alsof ik word opengereten met een bot mes wanneer ik praat. Het brengt ook weinig. Alleen dat iemand iets van je weet, en dat je je klein en beschaamd voelt, en aanstellerig ook. Vanwaar komt dat lompe cliché eigenlijk, dat het zou opluchten? Nog nooit, echt, nog NOOIT heb ik dat gevoel gehad na iets verteld te hebben. De enige reden waarom ik tot nu toe dingen heb prijsgegeven was wanneer het een tactische zet was. Een situatie verbeteren/verduidelijken, of een voorbeeld van mezelf aanbrengen om iemand anders te helpen.
En overigens, het schijnt mensen waar ik van hou weg te jagen. Of mensen voelen zich ongemakkelijk dat ik hen heb "uitgekozen", of weten niet wat ze moeten zeggen en voelen zich schuldig dat ze me niet helpen (ook al verwacht ik dat eigenlijk niet, ik kan het zelf niet eens). Waarom praten over dingen die voor anderen duizend keer erger zijn ook, ik bedoel, sommigen voelen zich zo slecht dat ze zich ophangen. Je weet die dingen niet van anderen. Wie weet begin je te zeuren over je hersenkronkels tegen iemand die zich nog veel slechter voelt en duw je hem of haar over een flinterdun randje. Of verveel je hem.
Maar bij elke mens schuilt toch ergens dat verlangen, dat iemand het zal willen horen, niet? Dat is toch wat ons allemaal beweegt? De hoop dat iemand ons zal verlossen uit de stilte van ons hart. Dat is wat zovelen van ons zo toetakelt dat ze ons achterlaten. Hun lijden wordt niet gehoord omdat ze het verschuilen of omdat niemand erachter vraagt. Ze barsten bijna open van liefde om af te geven, maar niemand moet het hebben en ze vinden er geen kanaal voor.
Ik wou dat ik een miljoen oren had en honderden duizenden jaren de tijd. Om aan elke mens in nood te kunnen geven wat hij verdient. Zou het iets uitmaken? Eigenlijk weet je zelfs dat niet hé. Een vriendschappelijk oor schijnt ook vaak niet genoeg te zijn, of het evenaart de zuivere liefde van een ander niet. Ze zijn altijd op zoek naar "The One" ofzoiets, alsof één mens alles kan oplossen. Allemaal de schuld van Disney.
Liefde komt pas als je haar niet zoekt, zeggen ze. Maar welke gezonde mens is er niét op zoek naar liefde? Alsof het een zwakte is om te wensen dat iemand je liefheeft of naar je luistert -ook al zeg je niks.
Hmm.

21:21 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Tu le dois à ton étoile.

Verdikke. Vandaag is weer zo'n man-als-ik-kon-kiezen-kwam-ik-überhaupt-niet-buiten-dag. De zon schijnt niet, het is niet speciaal warm en eigenlijk is er ook nergens iets te doen of zo. Dus heeft Clémence de ongezondst mogelijke reactie; deur op slot, koptelefoon op de oren en GSM uit.
Waar gaan we toch heen. Een beetje les gaan volgen om een stukje papier te behalen dat zogezegd betekent dat je goed begrijpend kan lezen, en dat je voor bepaalde jobjes beter geschikt bent dan een ander. Niks leer ik er nochtans mee. Niks. Ik leer niet hoe ik moet reageren als ik pijn heb, ik leer niet hoe ik iemand die pijn heeft kan helpen, ik leer niet hoe ik een ander plezier kan doen, ik leer niet om anderen graag te zien zonder er zelf aan ten onder te gaan, ik leer eigenlijk niks. Wat het belangrijkste is in het leven wordt ontweken in al mijn cursussen (en ik heb ze nochtans allemaal serieus uitgekamd).
Wat bewijs ik door te weten welke filosoof beweerde dat kunst een veruiterlijking moet zijn van de geestelijke bewegingen van de kunstenaar? Welke belangrijke levensvraag kan ik daarmee oplossen? Wie help ik daarmee?
Ze zeggen altijd "je moet doen wat je graag doet, en dan kom je overal". Maar als je dan antwoordt dat je het liefste op café zit bij de mensen waarbij je je goed voelt, dan telt dat ineens niet meer. Klootzakken. Hoe komt het dat voor sommige mensen een bepaalde verbondenheid van zo'n vitaal belang kan zijn? Mario was ook zo. Het had voor hem geen zin meer want hij voelde zich alleen. Al denk ik niet dat ik me ooit zo alleen zou kunnen voelen dat ik mezelf de kansen zou ontnemen om nog geluk te vinden in de toekomst. Want als je er echt mee stopt, dan stopt de pijn maar ook de vreugde die nog had kunnen volgen. Je knipt jezelf overal uit, dat lijkt me zo drastisch.
Een beetje zoals in Eternal Sunshine of the Spotless Mind, waarin Clementine uit zijn leven wordt "geknipt". Maar dan eigenlijk erger. Want als je zelf verdwijnt, verdwijn je eigenlijk niet. Je blijft in de geheugens van je naasten voortdwalen. Al het fysieke aan je leven vergaat, maar alles wat met gevoelens en gedachten te maken heeft blijft aanwezig in de herinneringen van anderen. Waarschijnlijk daarom is het herdenken van de overledenen zo belangrijk. Zo blijven ze, een beetje.
En toch begrijp ik hoe je kunt denken dat je leven niet veel nut heeft. Momenteel vind ik dat ook van mezelf. Ik sta op, ga ergens luisteren naar een professor, dan ga ik wat lezen in mijn cursus en ga ik weer slapen na ettelijke sigaretten. Doe ik iets? Help ik iemand? Maak ik een verschil? Los ik iets op? Nee! En ik vind het een ondraaglijk gevoel. Ik heb al gehoord dat het gevoel van voldoening volgt, eens je doet wat je graag doet en je eigen doelen nastreeft.
Maar hoe de fuck. Ik wil een universitair diploma omdat ik het verstand heb en er dan maar van moet profiteren. Eigenlijk is dat snobistisch, maar tegenwoordig is kennis bijna evenveel waard als geld, en ik krijg van thuis uit alle kansen om erin te slagen. Het zou niet eerlijk zijn om dan zo te doen van 'oh nee, voor mij hoeft het niet'. Maar boeiend kan ik het nu ook wel weer niet noemen, ik kan er niks aan doen. Universiteit is en blijft BEKAKT. Het loopt vol mensen die van zichzelf vinden dat ze SLIMMER en dus BETER zijn dan anderen, mensen die geloven dat de wereld aan hun voeten ligt en die hun neus ophalen voor niet-hogeropgeleiden. Hoe vaak hebben wij al wel geen statistieken voor onze neus gekregen waarin hogeropgeleiden als frequente lezers naar voor worden geschoven, en niet-hogeropgeleiden als tv-kijkers. En de hogeropgeleiden hebben zelfstandigere karakters want zij krijgen op hun werk meer verantwoordelijkheid, en zij kijken naar Canvas, en de niet-hogeropgeleiden kunnen alleen maar simpele instructies volgen en kijken naar VTM. Kwestie van de bevolking even te splitsen in "intellectueel" en "randdebiel". Ik kijk ook naar VTM ze. En ik ken genoeg bouwvakkers die naar Canvas kijken, allez wat is dat nu.
Volgens mij ga ik pas een gevoel van succes hebben als ik op de verplegingschool zit. Of zelfs pas als ik werk op de spoedafdeling. Want wat de fuck moet ik anders gaan doen zeg. Achter een bureautje gaan zitten ofwa. Of een bende Duitsers uitleg geven over de schilderijen in een museum. Ik por nog liever een ijzeren priem door mijn oog, eigenlijk.
Maar tot dan ben ik gedoemd tot het doorploeteren van het universitaire snobleven, als door-en-door-bink. Clémence was weer zo slim om vrienden te hebben die gemiddeld 30 zijn. Stiekem zijn zij de enigen die volwassen genoeg zijn om mijn aanstellerij te tolereren. Maar nee, eigenlijk is dat niet waar, want hier in Gent heb ik veel vrienden van 20 of zo. En dat botert prima. Misschien ben ik hier een pak braver dan thuis, alhoewel ik hier toch al veel op togen en tafels gestaan heb. En een legendarische fiejestreputatie heb. Het zou toch makkelijker voor me zijn moest ik vrienden hebben van Turnhout, hier in Gent.
Niet dat het nu moeilijk is. Clémence amuseert zich overal, zorg maar gewoon voor bier en zij doet de rest.
Ik ga hier nog eens diep over moeten nadenken allemaal.

13:10 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

09 maart 2010

I against I

Ja hoor, innerlijke dialogen op dinsdagavonden. Moet kunnen, bij gebrek aan mijn beste vriend. Verdorie, het moet hier nodig opgeruimd worden. Op dat vlak ben ik toch maar een kerel. Nog een sigaretje dan, met een beetje geluk zorgt de nevel ervoor dat ik de rommel niet meer zie.
Gaat het gemis ooit echt weg? Ik had laatst nog met iemand een gesprekje, over hoe liefde valt en staat bij het vermogen om de ander te idealiseren. Als je van iemand houdt, is hij ineens altijd grappig, en heeft hij altijd gelijk. En dat moet ook. Als je zijn slechte kanten teveel gaat bekijken, raak je gefrustreerd of wil je hem veranderen -that's a no go.
De persoon die om die redenen wordt achtergelaten, blijft natuurlijk achter met een berg liefde en idealisering. Dat laatste begint nu eindelijk te tanen. Ik zie nu pas hoezeer hij niet goed voor me was. En wellicht nooit kan zijn. Maar eens je dat los laat, moet je natuurlijk opnieuw beginnen. Dingen vertellen, blootleggen, toegeven, merken dat het niet juist zit, verdrietig zijn, en weer opnieuw beginnen. Kan ik dat? Blootgeven? De laatste tijd heb ik meer en meer het gevoel dat ik zelfs in die vijf jaren met hem, nooit volledig open ben geweest. Door zijn onbegrip werd ik alvast niet aangemoedigd. Het lijkt alsof hij nooit gevat heeft wie ik ben, of nooit heeft gesteund wat ik kon zijn. Nooit heeft gelóóft in wat ik kon zijn. Hij zag het wel zitten, maar had het verstand niet om het eruit te trekken.
Misschien was hij om de tuin geleid door mijn masker, dat ik het wel alleen kon. Eigenlijk moet dat ook hé. Maar het is niet zo. Het masker en ik zijn in al die jaren zo met elkaar verweven dat ik me vaak zelf niet meer bewust ben van de leugen die ik ophang. Leugen is een groot woord, maar vooral tegenover mezelf is het in feite wel zo. En eigenlijk weet ik niet echt waarom ik hem opzet, want het is niet dat ik dagelijks word aangevallen of gekwetst.
Maar zonder ben ik zo weerloos. Het probleem ligt misschien bij gebrek aan vertrouwen, dan, dat ik mijn allerkleinste zelf niet aan iemand wil afgeven. Tot nu toe heb ik alleen maar mensen bang gemaakt, als ze me "zagen". Niemand vermoedt het kuiken achter de bulldozer, ofzoiets.
Mijn masker trekt bepaalde mensen aan, die verwachten dat hij mij is. Die mensen zijn dan waarschijnlijk oeverloos teleurgesteld te merken dat daar achter een doodgewoon meisje zit, zoals iedereen. Ha, misschien is dat het wel. Ik ben doodgewoon. En ik durf het niet zijn, want er zijn veel dingen gebeurd in mijn leven die me verplichten om ongewoon te zijn. Je belandt in een zware identiteitscrisis als je na zo'n dingen weer in het normale leven moet stappen, en doen zoals iedereen doet, terwijl je over dingen nadenkt waar iedereen zoveel gemak bij heeft.
Mensen behandelen me ook vaak als een "rare", iemand die "niet zoals de rest" is. Die trien met haar littekens, tattoo's en piercings. Die tattoo's en piercings heb ik natuurlijk als reactie laten zetten, "ha, als jullie toch gaan doen alsof ik er niet bij hoor, dan zal ik wel eventjes doen alsof het mijn idee was". Zo hoef je niet toe te geven dat je gewoon niet wordt aanvaard.
It's goddamn lonely at the top.
En elke keer, ja, met mijn 23 jaar, nog altijd, elke keer voel ik me vernederd tegenover mezelf als ik niet word aanvaard. Ik aanvaard mezelf wel, natuurlijk, ik hou erg veel van mezelf. Maar ik ben boos dat alles zo gegaan is, dat ik mezelf niet meer durf laten zien. Het lukt niet meer. Het is gemakkelijker om hard te zijn en verstoten, dan lief en gekwetst on the long run.
Nog een sigaretje.
Waar ben ik toch bang van. Dat is allemaal zo onnodig.

23:22 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

01 maart 2010

Euforie!

Wat me precies overkwam weet ik niet. Al is dat zelden het geval.
Volgens mij ben ik een sinusoïde. Met als voordeel dat ik altijd kan rekenen op mijn functie om weer omhoog te gaan eens ik mijn dieptepunt bereikt heb.
En hier zit ik dan, in mijn onnozele high, onnozel te wezen. Intussen heb ik al gedanst, gesprongen op mijn bed (het bed op mijn kot heeft van die leuke veringen!) en veel te veel cola -en dus caffeïne- op. Clémence, wat overkomt je! Ben je verliefd? Helemaal niet. Ik ben het wachten beu. Ze zijn allemaal zo berekend, zo voorzichtig, daar heb ik geen geduld voor. Mijn tijd is op.
Uit ervaring heb ik bijeen geraapt dat deze hoogte niet lang zal duren, dus haal ik er alles uit. Alle gewaagde, pijnlijke, zure dingen die ik moet doen, moet ik nu doen. Mijn ex-vriend uitschijten voor wat hij gedaan heeft, zijn hemd in reepjes knippen dat hij hier "achteloos" heeft laten liggen waardoor zijn GEUR me soms nog tegemoet komt, me lam zuipen en alle mannen pesten die ik tegenkom, ophouden met eten, of het gewoon vergeten, me als hoer verkleden en kotfeestjes volledig overnemen, huilen maar het verdriet niet echt voelen (het is meer lacherig huilen, niet goed wetend wat er gebeurt), de belachelijkste houseplaten opleggen op een ongehoord volume en er in opgaan alsof ik zelf een sol ben. Er is geen einde aan de inspiratie.

Ik weet dat ik een verbintenis nodig heb met iemand. Een persoon met heel heel precieze eigenschappen. Wie het juist is, is irrelevant. Maar de eigenschappen moeten er zijn (O-benen en grote handen zijn onontbeerlijk, maar binnenin zijn er ook nog wel een paar). En ik weet dat ik aan het opbranden ben op mijn eentje en dat de realiteit me ontglipt. Maar het lukt me niet meer. Mijn allerbeste vriend is naar Costa Rica vertrokken (en god wat gun ik het hem!), maar ik was niet eens in staat afscheid te gaan nemen. Ik heb mijn lievelingsboek, Timbuktu van Paul Auster, voor hem gekocht, voor de reis, maar ik kon het gewoon niet afgeven. Ik zou gehuild hebben als een domme kleuter en hem verdriet gedaan hebben.
Het is alsof mijn vaardigheid om naïef, gelukkig en remloos op iemand af te stuiven defect is. Mijn hart is gehandicapt. Ik mank maar wat in de buurt van mensen, en ik geef er niet eens om hoe ik overkom. Erop of eronder, wat anders kan ik nog doen. Een tweede kans krijg je toch nooit als het op eerste indrukken aankomt. En de eerste indruk bepaalt of je nog wordt aangesproken of niet. Zo is dat in small towns.
Ze hebben allemaal hun trots, ik niet. Zo krijg je dus de opdonder die ik ben. Ik doe alles voor je, alles, of ik je ken of niet, ik doe alles voor je. Ik brul en ik spartel, maar ik doe alles voor je. Zolang je me maar geen pijn doet, want ik kan er niet tegen en je weet het.

Maar natuurlijk heb ik een hoog IQ, coole studies in het vooruitzicht en de prachtigste, liefdevolste vrienden van de wereld. Zij weten. Zij weten wat niemand weet. Dat ik voel! (Sssjt!)
Mijn ouders zijn lieverds, die me steunen op hun notoir onhandige manier die totaal verkeerd overkomt, maar die ik heus wel apprecieer (sssjt! dit is écht geheim!). Mijn Ijspegelzus met haar stom liefje zijn beiden achter slot en grendel in mijn hart verstopt en mijn Ridderlijke broer al zéker. Alle kansen heb ik, ondanks enkele heel harde klappen, om mijn geluk te fabriceren. Maar daar moet ik nog een beetje volwassener voor worden. Nu nog niet. Laat me nog even het losgeslagen beest uithangen, heb nog even geduld met me. Ik ben nog niet klaar om mijn verantwoordelijkheidsgevoel permanent te dragen. Er zijn nog duizenden stommiteiten die ik moet uithalen, foute liefjes die ik moet frequenteren, eer ik tot rust kan komen. Zo weinig tijd! En nog zoveel te zien, te reizen, te weten, te voelen!
Mijn onschuld is nog te zuiver om in te leveren voor bewustwording, het kind in mij nog te jong om te horen dat Sinterklaas niet bestaat.
Ik ben 23, het is nog lang geen tijd om te gaan slapen.

 

Ik ben een heel klein meisje
Zeg dat je van me houdt

Hou van me
Hou van me

Tot het me benauwt

(Barbara Rottiers)

21:47 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

27 februari 2010

Tell me sweet little lies!

Waar zijn de mannen naartoe? Mannen! Waar hangen jullie uit!
Zij worden door meer gedefinieerd dan het orgaan tussen hun benen, moet u weten. Een man zoals ik hem interessant vind heeft een baard (een echte, geen dons), is breed en drinkt bier.
En alle jongens die jonger zijn dan 26-27 jaar hebben dat aantrekkelijke stadium helaas nog niet bereikt, en het gros van de Gentse studenten valt dus precies buiten mijn aandacht. Of misschien is het zelfs andersom. Of ze zijn nog niet zelfzeker genoeg om te zeggen "kom ier meiske, ik zal uw rots zijn". Of ze zijn heel bang van mij omdat ik een sarcastische opmerking klaar heb tegen hun pick-upline uit de Flair.
Of ik ben 'te ingewikkeld', zoals ik heb moeten aanhoren van de man van wie ik dacht dat hij mij juist daarom zo beminde. Dat is nu zes maanden geleden, en nog worden mijn ogen er vochtig van. Een heel klein beetje maar, maar toch.
Zijn er geen mannen die ertegen kunnen dat hun lief een wispelturige trees is? Ik ben een vrouw zoals iedereen ze wil; onversierbaar, taai en een grote mond. En zo gevoelig als een meiklokje.
Het is blijkbaar zo dat een leven lang bij elkaar niet meer serieus wordt genomen. Dus ben ik wel dik in mijn kont gepakt want ik ben dan één van de laatste idioten die dat nog zoekt. Ik ben the last of the Mohicans in een samenleving van gebruik-pers uit-dump-denkers. Is er zo geen moment waarop mannen kalmer worden, inzien dat ze eigenlijk toch een beetje dom zijn en beter een zelfzekere vrouw zouden hebben aan hun zijde om hun wegsijpelende verstand nog bij elkaar te houden? Nee?
Ik wil dat een man in mij zorgzaamheid, tederheid en warmte herkent door mijn sarcasme heen, IT'S SO FUCKING OBVIOUS. Wat een cliché! En ze kunnen het lezen op mijn horseshit-blog! Misschien komen de ridders even niet omdat de hoeven van hun paard onderhoud nodig hebben. Van mij mag hij zelfs te voet komen.
Zijn de stereotypen van vrouwen zo hard in de hoofden van mensen gebrand dat een grote mond automatisch betekent dat ik stoer en ruig wil doen en dat ik met ketels op hun hersenpan zal slaan als ze ooit te laat thuiskomen? Of denken ze dat ik dominant ben en de hele dag zal zeuren over wat ik wil?
In mijn ervaring zijn opgemaakte tuttebellen verwende koters die Me To You-beertjes willen en heel veel aandacht, en zijn natuurlijke schoonheden mensen die met fundamentelere dingen bezig zijn en zelfstandig genoeg zijn om een ander zijn vrijheid te gunnen. Laat ik nu net een kanjer van een natuurlijke schoonheid zijn, zeg.

Ik moet ertegenaan. En ophouden met denken dat 'mijn biologische klok tikt' alsof ik een gemenopauzeerde spinster ben. Ik moet ertegenaan en mijn doelen vastpinnen ergens binnen mijn gezichtsveld. Kunstgeschiedenis afwerken, verpleegkunde studeren, op de spoeddienst werken. Klak.
Qua sera sera
Whatever will be, will be
The future's not ours to see
Que sera sera

Ik voel me altijd zo oud vanbinnen. Zo doorleefd en vermoeid. Mijn lichaam is niet dat van een 23-jarige, zo gehavend als van een Papoeaanse krokodillenverzamelaar. Zijn er eigenlijk wel mannen die op Papoeaanse krokodillenverzamelaarsters vallen? Zijn er geen ridders die het meisje in me naar boven willen halen, want ik ben ze een beetje kwijt tussen al die krokodillenhuiden en speerpunten.
'k Ga het zelf moeten doen, allang gezien.
Nooit rekenen op mannen.

02:41 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

14 februari 2010

5 minuten heldenmoed

Ah, de overmoed die een jonge mens kan overvallen. Dingen kunnen zo in je gezicht ontploffen, dat alle gevoelens van dapperheid van daarvóór onbereikbaar worden. Dingen lopen mis en het schijnt de bedoeling te zijn je ertegen te harden. De enige oplossing is je hart te sluiten voor de dingen die je mist, want het leven ontglipt aan je controle.
Ik haat het. Ik HAAT het wanneer ik eens te meer moet bekennen iets niet te hebben behaald, een doel niet te hebben verwezenlijkt, en het dan te moeten relativeren, alsof het er nooit toe deed. Dingen te moeten afgeven, en te glimlachen en mijn schouders op te halen, zodat niemand anders er last van heeft. Elke keer je zo'n vreselijke muur sloopt, denk je, "oké, nu ben ik sterker, dit zal me niet meer overkomen", en toch volgt elke keer een nieuwe situatie waarin je je precies hetzelfde voelt, onverminderd en ongecensureerd of zo. Het leven werpt het je telkenmale voor de voeten, en waarom? Natuurlijke selectie, om te zien wie het haalt en wie niet? Of is het gewoon een gepest, omdat een perfect leven te snel zou gaan vervelen?
Ongewild ga je toch altijd denken, "waaraan heb ik dit verdiend?" Het is alleszins eenvoudiger in onze gedachtengang om een oorzaak-gevolgrelatie te traceren tussen wat we fout doen en wat ons overkomt, dan ons over te geven aan een onbeslist lot dat op complete willekeur berust. Hebben we dan niks in de hand? Kunnen we dan niet zorgen dat sommige dingen die ons dierbaar zijn dichtbij ons blijven? Misschien is het de bedoeling dat we plezier ontdekken in de tijdelijkheid van de dingen. Dat we er ons bij neerleggen dat mensen waar we van houden kunnen weggaan op welk moment dan ook, en dat dat precies de tijd die je hebt waardevol maakt. Dat het verdriet dat op je staat te wachten een prijs moet zijn die je blindelings betaalt, gewoon voor de tijd dat je geluk mag kennen.
Of misschien moet je leren om minder blindelings te betalen, om het verdriet ook minder kansrijk te maken. Maar hoe minder blindelings, hoe minder puur het geluk, heb ik gemerkt. Je moet het ene afwegen tegen het andere.
Maar soms is het zo dat je nog gelooft in geluk met een persoon, maar dat die persoon je blindheid heeft vergiftigd, zoals Eva die Adam de verboden vrucht gaf. Je ziet nu. Je bent bang. Je ziet de mogelijkheid om gekwetst te raken, om iets te verliezen, om naakt te zijn voor de ander. Het paradijs is je ontnomen.
Wanneer vergiffenis geen troost meer biedt, waar moet je dan heen? Wanneer je jezelf niet langer kan vergeven, omdat de pijn niet meer overgaat en je jezelf de schuld geeft, waar moet je dan heen? Hoeveel pijn is één persoon waard?
Het is vrij simpel tegen jezelf te zeggen: hier ligt het niet, mijn geluk, ik zoek elders. Ik kan het heel gemakkelijk. Maar ik ben koppig en als ik voel dat het ergens ligt, blijf ik zoeken en peuteren op diezelfde plek. Ook al wil die plek helemaal niet dat ik daar peuter -jezus, WAT kan mij dat schelen. Het is veel moeilijker om ontberingen te doorstaan omdat je overtuigd bent dat één persoon het geluk voor je vasthoudt. Maar hoe lang moet je wachten tot die persoon op dezelfde golflengte zit? Is er een moment waarop je moet opgeven, voor je eigen vel? Is er een moment waarop zelfs God zou zeggen "meid, serieus, denk aan je eigen leven"?
Ik heb het gevoel dat mijn overtuiging iets extreem zeldzaam is. Dat het het soort overtuiging is dat maar enkele keren voorkomt per generatie, en dat het leeuwendeel van de mensen settelt voor tweede of derde keuze. In feite ben ik in heel mijn leven nog nooit zo zeker van iets geweest. Wellicht daarom durf ik het maar heel moeilijk loslaten. Zoals hij dat wel heeft gedaan.
Het feit dat hij dat heeft gedaan, moet eigenlijk al een sterke boodschap zenden. Ik besef het wel, ik weet alleen niet of ik klaar ben om het te aanvaarden. Dat zijn overtuiging het laat afweten, betekent dat iemand anders het voor hem weer zal moeten doen opflakkeren.
Ik mag niet wachten.
Damn, hoe vaak in een mensenleven kom je de situatie tegen waarin je jezelf moet dwingen om op te geven.
Niet wachten.

23:53 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

29 januari 2010

Vaders.

Ik hou van mijn papa. En al ben ik 23, toch voel ik me weer een klein kind wanneer hij opmerkingen maakt over mijn studie-inspanningen.
"Doe je wel je best?", vroeg hij me. Een onschuldige vraag. Maar een gruwelijk ingewikkelde, complexe vraag tegelijkertijd. Inherent in de vraag schuilt een fundamenteel wantrouwen dat hij koestert jegens mijn engagement, een soort weggemoffeld misprijzen over mijn -toegegeven- ontspannen levenshouding. Men hoeft nochtans geen psycholoog te zijn om te weten hoe gespannen ik ben en hoe ik dit met alle macht tracht te compenseren met deze haakse levensstijl.
Maar mijn papa is geen psycholoog.
Na 23 jaar weet ik nog steeds niet hoe ik hierop moet reageren. Tegenwoordig klem ik mijn kaken op elkaar, verlaat ik de kamer en verzet ik zo snel mogelijk mijn gedachten. In mijn puberjaren brak op zulke momenten wereldoorlog III uit, maar die ben ik moegestreden. Het vechten om een zaak die niet gehoord wordt lijkt me een stuk minder aanlokkelijk, nu het me niet meer om het vechten gaat maar om communicatie.
Het snobisme dat ten grondslag ligt aan deze eis voor intellectuele trofeeën, botst niet alleen met mijn opvattingen, maar rijt ook telkenmale een oude wonde open. Mijn voorgangers in de kroost waren namelijk van die modelkinderen. Beiden zijn inmiddels afgestudeerd en niemand hoeft zich ooit om hen te bekommeren. Moest het binnen mijn mogelijkheden liggen om zo te zijn, zou ik niet twijfelen. Niet zonder schaamrood op de wangen, moet ik toegeven dat ik al op mijn knieën aan mijn bed heb gezeten, biddend dat ik zo zou mogen zijn in de toekomst.
Maar helaas, Clémence is een Chinese Tijger en het zit blijkbaar -los van dat bijgeloof, dat ik toevallig gewoon cool vind- in haar bloed om overal tegen te rammen en overal een vraagteken bij te plaatsen. Mijn eigen aspiraties schijnen hem niet te bekoren. Wat voor mij als een overwinning aanvoelt, doet zijn wenkbrauw licht rijzen.
Zolang ik geen papier behaald heb dat bewijst dat ik verstandig ben, is er in zijn geest geen reden om met trots over me te waken, als een stabiele, steunende vader. Hij zal me nooit de rug toekeren, maar zal tot het bittere einde verwachten dat een universitaire studie nog moet of kan komen.
Ik maak deze gedachten ooit wel af. Vermoeidheid.
(nvdr.: Dit zwarte gal werd gespuid vlak na de examens van het eerste semester.)

20:54 Gepost door La petite Clémence | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |